Magische ring

Om een magische ring te maken, wikkel je de draad twee keer om je vinger, zodat er drie draadjes overheen gespannen zijn. Steek je haaknaald vanaf rechts onder de eerste twee draadjes door en trek het derde draadje daar onder door, zodat er een lus op je naald staat.

Maak drie lossen en laat de lussen (magische ring) van je vinger glijden. De lossen tellen als het eerste stokje.

In dit voorbeeld moet de eerste ronde bestaan uit 12 stokjes. Na de beginlossen maak je dan nog 11 stokjes in de ring. Trek je lus wat groter zodat je je haaknaald eruit kan halen en leg deze even aan de kant. Trek voorzichtig aan je draadeinde om te zien welke van de twee lussen beweegt. Pak deze lus en trek eraan zodat de andere lus onder de stokjes verdwijnt. Trek zo strak mogelijk en pak vervolgens het draadeinde en trek dat ook strak aan.

Steek je haaknaald weer in de werklus en sluit de ronde met een halve vaste op de bovenste beginlosse. De magische ring is klaar. 

Je kunt op deze manier met iedere soort steek beginnen. Volg het patroon om te weten hoeveel beginlossen je moet gebruiken om op de goede hoogte te komen en om te weten hoeveel steken je in de magische ring moet maken.